Het houden van een hangbuikvarken als huisdier in het licht van de rechten van de mens

Het houden van een hangbuikvarken als huisdier in een gehuurd appartement valt niet onder het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven (art.8 EVRM). Aan een mensenrecht mag het vereiste van universaliteit gesteld worden. Het houden van een hangbuikvarken op een gehuurd appartement voldoet niet aan deze vereiste, aldus de Vrederechter te Mechelen.

Bron: Vred.Mechelen, 16 december 2009, R.W. 2010-11, 1066-1069.

■ Feiten

De huurster van een appartement, dienstig voor persoonlijke bewoning, houdt sedert begin 2006 in dit appartement een hangbuikvarken “Flurk”. Zij had dit dier destijds als een klein zwijntje als geschenk gekregen van een vriend. Inmiddels was dit varkentje een volgroeid hangbuikvarken geworden met een gewicht dat schommelde tussen de 80 à 100 kg.

Naast dit hangbuikvarken hield de huurster eveneens nog een kleine hond, een cavia en twee chinchilla’s als huisdier bij.

De huurovereenkomst bepaalde m.b.t. het houden van huisdieren het volgende:

“Het is de huurder enkel toegestaan dieren te houden mits naleving van de bepalingen van het reglement van inwendige orde dat uitsluitend rekening zal houden met de aard van de woning, de ligging ervan en de overdreven burenhinder”.

Het reglement van inwendige orde bepaalde als aanvulling op de huurovereenkomst dat:

“Huisdieren worden slechts geduld indien ze niet hinderlijk zijn voor de geburen, door lawaai, geur of welke andere reden ook. De bestuursraad van de verhuurder heeft steeds het recht de verwijdering van het/de dier(en) te eisen”.

Na een drietal jaar vraagt de verhuurder de verwijdering van het hangbuikvarken bij gebreke waaraan de verhuurder zal dagvaarden in onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst. De huurder laat weten dat zij niet bereid is het dier uit het appartement te verwijderen omdat het hangbuikvarken geen overlast of burenhinder veroorzaakt.

■ Beslissing van de Vrederechter

De betrokken partijen leggen het geschil voor aan de Vrederechter te Mechelen. In het kader van de behandeling van dit geschil brengen zij elk verklaringen bij m.b.t. het hangbuikvarken. De verhuurder brengt verklaringen bij die uitgaan van de andere bewoners van het gebouw, die gewag maken van geur- en lawaaihinder en bijgevolg burenoverlast, veroorzaakt door de aanwezigheid van het hangbuikvarken. Andere bewoners stellen zich neutraal op of minimaliseren de klachten. De huurder legt ook verklaringen voor van kennissen en bezoekers die bevestigen dat er geen geur- of lawaaihinder of overlast is ingevolge het houden van het hangbuikvarken.

De huurder argumenteert dat het houden van een huisdier, in casu een hangbuikvarken, een fundamenteel recht is dat valt onder het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven (art. 8 EVRM). Door de verwijdering van het hangbuikvarken uit het verhuurde appartement te vorderen, zou de verhuurder deze bepaling schenden. Ter ondersteuning van deze stelling verwees de huurder naar andere rechtspraak, waaronder een vonnis gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 7 april 2006 (Rb. Brussel, 7 april 2006, T.Vred. 2007, 176).

Deze laatste rechtbank motiveerde de beslissing als volgt:

“Het bezit van huisdieren, zelfs indien ze geen hinder veroorzaken, in strijd met een verbodsclausule in de huurovereenkomst, is niet voldoende om een contractuele fout te bewijzen. Zulkse clausule kan worden beschouwd in de huidige stand van de sociale opvattingen en gewoonten als een aantasting van het recht op een privéleven, gezinsleven en woonplaats, zoals gewaarborgd door art. 8.1. EVRM.”

De Vrederechter volgde deze stelling evenwel niet en stelde dat er geen criteria werden blootgelegd of enig controle-instrument werd aangewend ter bepaling van de sociale opvattingen en gewoonten waarnaar verwezen werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. De stelling dienaangaande aangenomen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel is, aldus de Vrederechter, arbitrair.

De Vrederechter stelt zich overigens de vraag of het recht op een privéleven, gezinsleven en woonplaats, zoals gewaarborgd door art. 8 EVRM, steeds dient te primeren op een ander recht, m.n. de ongeschonden bescherming van eigendom waarop de verhuurder zich kan beroepen.

De Vrederechter stelt dat aan art. 8 EVRM het vereiste van universaliteit mag gesteld worden. Dit vereiste impliceert dat het houden van een hangbuikvarken op een gehuurd appartement voor iedereen, overal en in alle omstandigheden, mogelijk moet zijn.

De Vrederechter oordeelt dat zulks niet het geval is, zodat de huurder veroordeeld werd om het hangbuikvarken uit het appartement te verwijderen en elders onder te brengen.

Didier DHAENENS
Advocaat-vennoot bij DHAENENS & VERMEULEN ADVOCATEN, Antwerpen

Vastgoed info 2011, afl. 10, 6-7